Posts tonen met het label nieuwe media. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nieuwe media. Alle posts tonen

zondag 7 juni 2009

Fotoblog Dailybooth: een nieuwe hype?

Na MySpace, Facebook en Twitter vraagt iedereen zich af wat de volgende hype in de wereld van het internet zal worden. Een wilde gok? Dailybooth, een website waarop gebruikers hun leven documenteren met een foto per dag.

Dailybooth hoort hiermee thuis in de categorie van de sociale netwerking sites, sites waarop je jezelf kan profileren en die je met anderen in contact brengt. De bedoeling van Dailybooth is dat je als gebruiker elke dag een foto van jezelf op de website post. Deze kan weergeven wat je die dag gedaan hebt, hoe je je voelt, waar je bent, enz. Elke foto wordt vergezeld van een korte beschrijving en dat is dat. Het is eens wat anders dan een blog.


Dailybooth werd opgericht door de 21-jarige Brit Jon Wheatley en is nog net geen vier maanden online. Na drie dagen had de site al meer dan 3000 gebruikers, en het gebruikersaantal blijft stijgen. Wheatley baseerde zijn idee op enkele populaire Youtube filmpjes waarin mensen een montage maakten van foto’s die ze een jaar lang elke dag van zichzelf hadden getrokken. “Ik vond dit een heel leuk idee, maar wist dat ik zelf nooit de moed zou kunnen opbrengen om zo’n project tot een goed einde te brengen. Tenzij een website mij ertoe zou dwingen.” zegt Wheatley er zelf over.

Een eerste blik op de site toont dat Dailybooth vooral jonge gebruikers aantrekt (15-25 jaar). Het doel van een foto per dag wordt vaak niet gehaald, maar er zijn wel al een hele hoop foto’s te vinden. Bekende gezichten zijn voorlopig nog niet aanwezig.

Of Dailybooth een echte hype zal worden, kan alleen de tijd uitwijzen. Wheatley is in ieder geval goed op weg met een nieuw en origineel concept en een hoop enthousiaste gebruikers.

Onderstaand filmpje van zo'n gebruiker legt uit waarom Dailybooth the place to be is.



Sim Dhollander

woensdag 29 april 2009

Van e-book tot e-broek?

Vergeet het e-book. Vergeet de digitale krant. Hier is de ware revolutie in het digitale land… de e-broek! Wel goed oppassen dat je niet met lege batterijtjes komt te zitten. Het zou wel eens voor schaamtelijke taferelen in het straatbeeld kunnen zorgen…

We kennen allemaal wel het probleem: je wordt ’s morgens wakker en bent voor de zoveelste keer genoodzaakt om een broek aan te trekken. Inderdaad, dit kost niet alleen tijd. Neen, met het prut nog vers in de ogen is het voor velen vaak een zware opgave om die broek over de juiste ledematen te trekken. Armen en benen? Probeer ze maar eens uit elkaar te houden met je ogen half toe…

Met één druk op de knop van je e-broek – de rits figureerde in enkele prototypes, maar leek uiteindelijk toch minder geschikt – worden al deze (en andere) problemen volledig van de baan geveegd. Nooit meer vlekken op je broek. Nooit meer een gescheurde naad bij het bukken! “De e-broek is de grootste revolutie in het kledinglandschap sinds Adam besloot om een vijgenblad te dragen,” zegt Jean S. van de Nederlandse krant Trouw SER+.

Maar hoe werkt de e-broek? “Eerst en vooral: de e-broek is echt,” verzekert Levi Lee (e-broekontwikkelaar bij Alphacont). “Het is dus geen simpele holografische weergave. Daar zitten mensen ook niet op te wachten. Marktonderzoek heeft ons namelijk geleerd dat mensen niet kunnen zonder hun zakken. De e-broek kan je dan misschien ook beter vergelijken met een digitale bodypaint, maar dan zonder de grote nadelen van dat vuile goedje.”

De Cybroek van Alphacont zal de eerste e-broek zijn op de markt en zowel in elektronicazaken als kledingwinkels verkrijgbaar zijn. “Zo hopen we een ruim publiek aan te spreken,” zegt Lee. “Mannen en vrouwen kunnen de e-broek gewoon in hun favoriete winkel vinden.” Alphacont is trouwens ook bezig met de ontwikkeling van een E-shirt. Dat project staat echter nog in zijn kinderschoenen. “De E-vorm is minder gemakkelijk om mee te werken dan de T-vorm,” lacht Lee.

E-broekconcurrent Amazon is momenteel dan weer bezig met het ontwikkelen van de e-rok, maar voorlopig zonder succes. De wetenschappers van Amazon blijken nog niet verder te komen dan enkele schaamlapjes. Wonder wel mét e-pijlenboog als accessoire?!



Maarten Franck

zondag 22 maart 2009

Censuur op de werkvloer?

Zeven op de tien werkgevers legt het internetgebruik op kantoor aan banden. Dat blijkt uit onderzoek van het tijdschrift Smart Business Strategies. Hoofdzakelijk erotische sites, goksites en illegale muzieksites worden (technisch of qua richtlijnen) tegengehouden. Maar ook de sociale netwerksite Facebook duikt vanaf dit jaar op in de top 10 van meest geweerde internettoepassingen.

Facebook, het is een fenomeen dat weinig introductie behoeft. Meer dan 175 miljoen leden wereldwijd, die dagelijks samen meer dan 3 miljard minuten online spenderen voor het schrijven van berichten op elkanders prikbord, om elkaar te “porren” of omwille van een van de vele andere dingen die je op Facebook kan doen. Trouwens, iemand zin in een online voedselgevecht of een ander spelletje?

Lijken die cijfers je misschien nog wat abstract? Laten we het dan maar zo stellen: één op de tien Belgen gebruikt Facebook, en de kans is groot dat jíj een van hen bent. Dat laatste zou echter wel eens iets kunnen zijn waar je baas niet al te blij om is. Zeker in deze tijden van economische recessie.

Facebook in de ban

Volgens het tijdschrift Smart Business Strategies, blijken werkgevers meer gevoelig te zijn voor de productiviteit van hun personeel dan vorig jaar. De economische crisis dient zich aan als verklarende factor. Gebruik van het internet voor privé-doeleinden kan minder en minder door de beugel op de werkvloer. Werd Facebook vorig jaar nog door minder dan één op vijf Belgische bedrijven afgeblokt, dan is dat aantal dit jaar verdubbeld tot 38%. Grote bedrijven als Belgacom, Roularta en KBC blokkeerden de toegang tot Facebook nog vrij recent.

België is trouwens niet het enige land waar de website van de werkvloer wordt verbannen. Bijvoorbeeld in Engeland werden sociale netwerksites, waaronder Facebook, al sinds 2007 door meer dan 70% van de bedrijven geblokkeerd. Verschillende Engelse bedrijven waarschuwden hun werknemers daarnaast ook, dat het bezoeken van deze websites tijdens de kantooruren een geldige reden is tot ontslag.

Censuur?

Is het ontoegankelijk maken van bepaalde websites dan een vorm van censuur? Wettelijk gezien niet. Een dergelijke controle is hier in België namelijk toegestaan, zolang ze maar niet in het geheim gebeurt (Zie CAO-81 van 26 april 2002). Betekent dit dat u daarom genoodzaakt bent om te werken in plaats van een van uw exen te stalken op Facebook? Natuurlijk niet.

Via een van de duizenden online proxyservers kan u (op eigen risico welteverstaan!) de beveiliging van uw werkgever omzeilen. Wat doet zo’n proxyserver dan precies? Zonder tot al te technisch jargon te willen vervallen, komt het er op neer dat je de website die je wilt openen, opent vanuit een andere website. Access Facebook at School is een voorbeeld van de vele applicaties die, wanneer geïnstalleerd, het internet afschuimen, op zoek naar (niet-geblokkeerde) proxy websites, via welke u uw favoriete sociale netwerk dan toch op het werk kan raadplegen.

De Heer zij geprezen voor de onbegrensde mogelijkheden van de technologie! Want, stelt u maar eens voor dat u echt had moeten werken tijdens uw wérkuren!

Maarten Franck

dinsdag 10 maart 2009

Journalistiek vraagt lef

Journalist 2.0 Olaf Koens over werken met journalistiek 2.0

Amper 23 jaar is Olaf Koens. Toch mag hij zich al correspondent in Moskou noemen. Zijn 2.0-benadering van journalistiek maakt dat hij de crisis in de mediasector handig weet te omzeilen. Hij twittert een retourtje naar Teheran en hoopt dat een schoenenmerk zijn journalistiek werk wil sponsoren. “Journalisten moeten commerciëler leren denken”, laat hij via Skype weten.



Koens werkt als freelance correspondent voor de GPD (Geassocieerde Persdiensten) in Rusland en de voormalige Sovjet-Unie. Hij maakt ook stukken voor de meest uiteenlopende publicaties: van De Nieuwe Reporter tot The Moscow Times, van Vacature tot France24.

Web 2.0 is een enorme hulp voor zijn journalistiek werk, vertelt hij. “Ik begin mijn dag met doorlezen van mijn Netvibes. Dat is eigenlijk een enorme RSS-reader. Ik volg blogs, nieuws- en fotosites van over de hele wereld. Met dat door te lezen, ben ik snel weer een paar uur verder.”

Koens is een onvervalst pleitbezorger van verschillende Google-toepassingen.”Gmail, Gmail-chat, Google Calender en Google Translate gebruik ik in mijn dagelijkse werk. Dan is er ook nog Flickr, waarop ik mijn foto’s bewaar. Als een redactie me om een foto vraagt, dan stuur ik ze gewoon link naar de foto op Flickr door.” Ook van Skype is hij een enthousiast fan: zowel voor journalistiek werk als om contact te houden met het thuisfront.

Schiphol - Teheran

Twitter was geen liefde op het eerste gezicht. “Ik stond er eerst heel erg sceptisch tegenover. Dacht dat het volstond met nutteloze boodschappen à la “ik ga naar het toilet”. Na verloop van tijd begon ik in te zien dat het toch wel zijn nut heeft.”



“Bijvoorbeeld de crash van het vliegtuig nabij Schiphol. Dat las ik eerst op Twitter. Ik ben meteen in de databank van AP (Associated Press) gaan kijken. Daar stond niets in. Pas tien minuten later heeft AP het nieuws opgepikt. Twitter is sneller.”

Met Twitter is hij er zelfs in geslaagd een reisje naar Teheran te financieren. “In november wou ik naar Iran. Mijn geplande reportages kreeg ik echter nergens verkocht. Een vliegtuigticket had ik al betaald. Op Twitter heb ik dan ik dan gezegd dat ik naar Iran vertrek, iedereen kon een verhaal bij me bestellen. Het heeft zestien minuten geduurd voor @brewbart zich meldde, de hoofdredacteur van Sp!ts, Bart Brouwers.”

Daarnaast is Twitter ook een gigantische vraagbaak voor Koens. Met bijna duizend volgelingen zal er altijd wel iemand zijn die het antwoord weet op een prangende vraag die hij via Twitter de wereld instuurt. “Ik zoek een tijdschrift over geschiedenis. Ken jij er één? Nee, wel op Twitter kreeg ik in geen tijd vijf namen van relevante tijdschriften toegestuurd.”

Portfolio

Op de vraag of hij wel eens sociale media gebruikt voor zijn stukken te schrijven, repliceert Koens dat hij Twitter tot de sociale media rekent. “Toen ik naar Iran ging, heb ik gewoon Twitteraars uit Teheran gezocht. Een paar heb ik ter plaatse ontmoet.” Facebook gebruikt hij liever om contact te houden met vrienden.

Met www.olafkoens.nl heeft hij ook een eigen blog. “Eigenlijk is dat begonnen om mijn vrienden op te hoogte te houden van wat ik aan het doen was. Toen ik met de blog begon, was ik nog geen professioneel journalist.”

Ondertussen is de blog uitgegroeid tot een professioneel visitekaartje. “Als beginnend journalist moet je een portfolio hebben. Ik plaats er artikelen op die niet verschenen zijn, of zet er stukjes op uit artikelen die nog moeten verschijnen”.

Media.com/denieuwereporter.nl

Wat de hype na Twitter wordt, daar wil Koens zich niet aan wagen. Wel deze voorspelling voor de toekomst: “Conversie gaat erg belangrijk worden.” Hij illustreert het met een voorbeeld: “De mediabijlage van De Morgen media.com, nu betaalt de krant daar heel wat geld voor. Daar moeten pakweg twee redacteurs voor betaald worden. Het kan goedkoper."



"Op het internet heb je valabele alternatieven als De Nieuwe Reporter en Bright. Daarmee kan De Morgen het op een akkoordje gooien om stukken over te nemen. Dat zal de krant minder geld kosten. Ik denk ook dat binnen een mediaconcern de verschillende media berichtgeving aan elkaar cadeau zullen doen. Van een blad bij de Persgroep naar een Persgroep-krant, bijvoorbeeld."

Dat gaat ten koste gaan van dagbladjournalisten, erkent hij, maar niets is onmogelijk. “Kijk naar mij: ik ben 23 jaar en ben correspondent in Moskou. Het gaat misschien slecht in de media, maar er zijn nog steeds veel kansen. Belangrijk is het hoofd boven water te houden, doen wat commercieel interessant is.”

Een voorbeeld: “Ik kan hetzelfde onderwerp verschillende keren verkopen. Dan schrijf ik een kort nieuwsbericht voor een krant en maak een langer stuk voor een tijdschrift over datzelfde onderwerp.”

Schoenensponsoring

Toch is het niet gemakkelijk rondkomen als freelance journalist in Moskou. “Ik verdien minder dan de gemiddelde fabrieksarbeider bij Renault in België. Ik ben nu echter al een tijdje met een schoenenmerk aan het praten. We zijn aan het bekijken hoe ik pas in hun mediacampagne.”

“Een idee is om ervoor te zorgen dat een paar schoenen van een bepaald merk om de zoveel foto’s onopvallend getoond wordt - ik fotografeer ook. Als ik bijvoorbeeld een verhaal in een hotel maak, dan kan ik ergens in een hoek wel een paar wegmoffelen en dat op foto zetten.”

Niet erg orthodox. “Inderdaad, maar het moet wel kunnen, vind ik. De kranten doen het al jaren. Een column in de donderdagkrant kan zo geschreven zijn door een hypotheekmakelaar, bij wijze van spreke. Als de kranten het doen, waarom zouden de journalisten het dan niet mogen doen? Journalisten moeten commerciëler leren denken, zo kunnen ze overleven in de huidige mediacrisis. Anders gaan ze definitief mee ten onder.”

(SC)

Mediacrisis - De kans voor journalisten met lef - Olaf Koens
Donderdag 2 april van 19 tot 22 uur.

maandag 9 maart 2009

Opzij, opzij, opzij, we hebben ongelooflijke haast...

(Naar aanleiding van een opiniestuk gepubliceerd in De Morgen, zie http://www.mediakritiek.be/blog/2009/02/instant_media_versus_vliegtuigongevallen.html)

Geert Sciot van Brussels Airlines maakte zich terecht druk in de oppervlakkige berichtgeving over de ramp met een vliegtuig van Turkish Airlines op Schiphol. Vanuit zijn standpunt is het onmiskenbaar quatsch wat in de uren en dagen na rampzalige gebeurtenissen verteld wordt in de media. Zijn voornaamste bekommernis is de technische waarheid bovenhalen, wars van alle andere factoren. Sciot heeft het ons inziens dan wel over de traditionele media. Nieuwe media worden vooralsnog met de nodige scepsis benaderd en zijn hem dan ook geen doorn in het oog.

De 'oude' media daarentegen handelen vanuit een even dwingende logica. Berichtgeving over schokkende gebeurtenissen is voor hen - in navolging van de snellere nieuwe media - een bestaansreden geworden. Het publiek wil en het publiek krijgt. Jammer genoeg dragen de traditionele media in dit soort kwesties ook het kwaliteitslabel mee dat ze overhouden aan andere soorten berichtgeving. Live vanuit de Wetstraat of vanuit het Jan Breydel-stadion zijn de dingen een stuk minder technisch en dus minder vatbaar voor fouten. Bovendien gaat rampjournalistiek al snel over tientallen verschillende soorten gebeurtenissen en zijn de experts onder journalisten logischerwijze op één hand te tellen.

Men kan zich dan ook de vraag stellen wat de waarde is van dat soort journalistiek. Wat is het nut van een hoop ongefundeerde gissingen die door de experts ter zake waarschijnlijk met één opmerking van tafel kunnen worden geveegd? Het lijkt ons dat Sciot dicht bij de waarheid komt met de term 'bladvulling'. Zowel zendtijd als krantenpagina's worden gevuld met mooie statistiekjes, technische tekeningen en kaarten. En als die bladvulling achteraf allemaal naast de kwestie blijkt te zijn geweest dan kraait geen haan daar nog naar. Dat is extra jammer aangezien de traditionele media - meer dan de nieuwe - in bulk door de massa worden geconsumeerd en voor waar worden aangenomen.

Wat is nu de oplossing voor dit vraagstuk? Traditionele media - die de stempel 'kwaliteit' willen blijven dragen - hebben twee opties: ofwel berichten ze over door experts ter zake (!) onderbouwde veronderstellingen, ofwel onthouden ze zich van commentaar. Aangezien de eerste optie door praktische belemmeringen onhaalbaar lijkt en de tweede oplossing niet in dank zou worden afgenomen door de steeds meer eisende lezers/kijkers krijgen we een soort tussenoplossing die er geen is: (te) snelle berichtgeving met (pseudo)-experts. Enig verzachtende omstandigheid is dat het wel degelijk een moeilijke evenwichtsoefening is voor de traditionele media, zeker gezien het opbod in een concurrentiëel medialandschap.

De oplossing voor de paradox bestaat echter al: de nieuwe media. Voorstanders van nieuwe media als nieuwe betrouwbare pijler van de journalistiek zullen het niet graag horen (al is er diversificatie mogelijk tussen verschillende soorten nieuwe media), maar alvast voorlopig staan die bekend om twee dingen: de ongelooflijke snelheid waarmee bericht kan worden, en de onbetrouwbaarheid van hun berichtgeving. Laat dit nu net de gedroomde kenmerken zijn van rampberichtgeving: snelheid en de (gezien de hoge techniciteit) onmogelijk eenduidig correcte conclusies. Het publiek wéét dat het slechts een opeenstapeling mogelijke scenario's voor zich krijgt en stelt zich dan ook terecht weerhoudend op.

Concluderend kunnen we stellen dat nieuwe media een handige aanvulling kunnen zijn op het huidige media-aanbod. Het biedt traditionele media de kans zich terug te trekken en hun geloofwaardigheid te behouden, zonder de publieke schreeuw om constante berichtgeving onbeantwoord te laten. Traditionele media kunnen zich beperken tot: "We kennen de oorzaak nog niet en we moeten wachten want er zijn honderden mogelijke scenario’s". Op die manier beantwoorden ze ook aan de vraag van hun publiek: objectieve en (enigszins) geloofwaardige berichtgeving die ophoudt waar speculatie begint. Nieuwe media daarentegen kunnen een ander segment van de markt bedienen: meer dan geïnteresseerde betrokkenen en amateur-experts, die met de nodige terughoudendheid kijken naar die berichtgeving, zich bewust van de voordelen (snelheid en veelheid) en de nadelen (onbetrouwbaarheid).

(Jef Van Hoofstat & Kristof Vanderhoeven)